Zoönosen en antibioticaresistentie

Gezondheidseffecten

 

Q-koorts

Q-koorts wordt veroorzaakt door een bacterie (Coxiella Burnetti), die verschillende dieren bij zich kunnen dragen. Geiten en schapen zijn de belangrijkste besmettingsbron voor de mens, maar ook runderen kunnen drager zijn.

Het merendeel van geïnfecteerden wordt niet ziek. Infectie geeft een griepachtig ziektebeeld of longontsteking. Bij sommige patiënten ontwikkelt zich chronische Q-koorts. Een kwart van alle patiënten krijgt last van post Q-koorts-vermoeidheidsyndroom. Patiënten die overleden waren al zeer ernstig ziek voordat zij Q-koorts kregen.

Door de verplichte jaarlijkse vaccinatie van melkschapen en melkgeiten is het risico op Q-koorts sterk afgenomen.

 

Griepvirussen

Bij infecties met vogelgriepvirussen lopen de symptomen uiteen van lichte griepklachten tot zeer ernstige verschijnselen, die zelfs tot de dood kunnen leiden. Het risico voor omwonenden is zeer gering. Hoewel de kans klein is zou door aanpassing van het vogelgriepvirus een beter of goed van mens op mens overdraagbaar virus kunnen ontstaan. Er is ook een kleine kans, dat een dergelijk virus kan ontstaan door vermenging van humane en/of varkensvirussen met het vogelgriepvirus.

In Nederland is tot nu toe alleen het laag pathogene varkensvirus voorgekomen. Mensen, die intensief met varkens werken, kunnen worden besmet met dit griepvirus. Dit leidt in het algemeen niet tot ernstige klachten. Maar omdat varkens als mengvat van griepvirussen worden gezien, waarin nieuwe virussen in kunnen ontstaan wordt uit voorzorg afgeraden om zowel grotere aantallen varkens als pluimvee op één bedrijf te huisvesten.

 

De volgende antibioticaresistente bacterien zijn mogelijk van belang voor de omgeving van veehouderijen.

 

Veespecifieke MRSA- bacteriën (Meticilline-resistente Staphylococcus aureus)

Veespecifieke MRSA-bacteriën kunnen voorkomen bij varkens, vleeskalveren, vleeskuikens, melkkoeien en paarden. Mensen die intensief met deze dieren in contact zijn kunnen deze bacteriën bij zich dragen, maar zijn meestal niet ziek. Bij verminderde weerstand of pas geopereerde patiënten zijn infecties (zweren, abcessen) mogelijk, die dan moeilijker te behandelen zijn. In zeldzame gevallen kan bloedvergiftiging, botinfectie of longontsteking ontstaan.

 

ESBL-bacterie (Extended spectrum betalactamase producerende bacterie)

ESBL-bacteriën produceren een enzym, dat bepaalde antibiotica onwerkzaam kan maken. Deze bacteriën komen o.a. bij vleeskuikens voor. Deze bacteriën vormen vooral in ziekenhuizen en verpleeghuizen een probleem. Bij heel jonge en oude mensen met een gestoord immuunsysteem kunnen ze soms ernstige urineweg- of bloedbaaninfecties veroorzaken. Het is nog niet bekend of en hoe deze bacteriën op veehouders of omwonenden overgedragen worden.

 

Normen, richtlijnen en gezondheidskundige advieswaarden

Wetgeving richt zich op de verplichte vaccinatie bij Q-koorts en verplichte bestrijdingsmaatregelen bij besmetting bij Q-koorts en vogel- en varkensgriep. Er zijn geen eisen aan de afstand tussen een veehouderij en gevoelige bestemmingen.

Men gaat er wel van uit, dat de kans op overdracht van een hoog pathogeen virus van het ene naar het andere pluimveebedrijf gering is, als er minder dan 2,9 pluimveebedrijven per km2 zijn. Bij een minimale afstand van 1 km tussen bedrijven ligt de maximale bedrijfsdichtheid ruim onder deze ‘kritische dichtheid’.

GGD Nederland beveelt aan bij nieuwbouw en planontwikkeling een minimale afstand van 250 meter te hanteren tussen een intensieve veehouderij en gevoelige bestemmingen.

De Gezondheidsraad stelt dat niet bekend is tot welke afstand mensen in de omgeving van veehouderijen

onder reguliere omstandigheden verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Bij uitbraken van zoönosen is meer

bekend; in het geval van Q-koorts kan het om afstanden tot wel vijf kilometer gaan. Om aan de ongerustheid

van omwonenden tegemoet te komen, acht de Gezondheidsraad het nuttig en nodig om emissiegerelateerde

minimumafstanden te hanteren die niet alleen op geurbelasting gebaseerd zijn. Deze afstanden zouden via

lokaal maatwerk met het door de Gezondheidsraad bepleite toepassing van het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu vastgesteld kunnen worden.