Fijn stof en endotoxinen

Bronnen

Voor fijn stof zijn emissiefactoren vastgesteld voor runderen, varkens, geiten, kippen, kalkoenen, eenden, nertsen en parelhoenders. De varkenssector en met name de pluimveesector leveren de grootste bijdrage aan fijn stof.

Endotoxinen zijn bestanddelen van de celwand van bacteriën. In de omgeving van varkens, melkvee- en vooral pluimveebedrijven zijn verhoogde concentraties van endotoxinen vastgesteld.

 

Gezondheidseffecten

Het fijn stof afkomstig van veehouderijen bestaat uit grovere deeltjes en het bevat veel meer biologische componenten dan het fijn stof afkomstig van verkeer. De verhouding PM2,5/PM10 van emissies van veehouderijen is circa 30% en veel lager dan de verhouding van verkeersuitstoot (60 – 70%). Hierdoor worden eerder een toename van luchtwegklachten en –ontstekingen verwacht dan de effecten op hart- en vaatstelsel en vroegtijdige sterfte die samenhangen met de kleinere deeltjes van het fijn stof.

Inademing van endotoxinen kan leiden tot ontstekingen van de luchtwegen, chronische bronchitis en vermindering van de longfunctie.

 

Normen, richtlijnen en gezondheidskundige advieswaarden

Fijn stof afkomstig van veehouderijen moet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet Milieubeheer

Voor PM10 geldt  een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en een daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3, die maximaal 35 dagen per jaar mag worden overschreden.

In 2008 zijn in een Europese richtlijn grens- en streefwaarden voor PM2,5 vastgelegd. Vanaf 2015 moet voldaan worden aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie van 25 μg/m3. Voor 2020 is de streefwaarde 20 μg/m3.

Ook onder de grenswaarden voor fijn stof kunnen gezondheidseffecten optreden.

De Gezondheidsraad heeft voor endotoxinen een voorlopige advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m3 (endotoxinen units per kubieke meter lucht).